> ‘Dat shirt is echt gay’
< ‘Wat is er Gay aan’
> ‘Haha het is een beetje roze toch?’
< ‘Ja inderdaad, maar waarom is dat gay’
> ‘Nou ehm, nouja zo bedoel ik het niet echt’
> ‘Wat krijg je als je een surinamer met een marokkaan kruist? Een volk dat te lui is om te stelen’
< ‘Dat slaat nergens op’
> ‘Ja het is ook maar een grapje, dat snap je toch wel..’
Maar nu even serieus
Irritant he? Dit zijn het type gesprekken die ik met enige regelmaat voer, en dan ben ik de “irritante boze linkse” factor hierin
Dat het een grapje was begrijp ik prima. Net als dat ik slim genoeg ben om te snappen dat er niet ècht gedacht wordt dat roze dragen je geaardheid bepaald. En tòch ga ik ertegenin. Het is niet zo dat ik helemaal geen gevoel voor humor meer heb overigins, althans, dat hoop ik dan maar. Leuk vind ik het ook niet, het liefst zou ik dit soort gesprekken vermijden. Lekker doen alsof ze er niet zijn of alsof ik ze niet hoor en mensen lekker hun gang laten gaan.
Waarom ik dan toch de dwarsliggende zuurpruim moet zijn zit hem in het feit dat deze “grapjes” stereotyperend zijn en daarmee een systeem in stand houden. Een systeem waar mensen last van hebben.
Surinamers zijn lui, Marokkanen stelen altijd alles, Vrouwen zijn onvakkundig, Mannen zijn ongevoelig, Linkse mensen zijn werkloze uitkeringstrekkers. Ik kan zo nog wel even doorgaan maar ik laat het hier even bij. Dit zijn typische gedachtes die voortkomen uit stereotypes. Men zal het niet zo benoemen maar het idee is er helaas wel. Op het moment dat er dus zo’n grapje of opmerking wordt gemaakt kan ik het zijn gang laten gaan en zo het systeem in stand houden òf ik kan ertegenin gaan in de hoop dat het afneemt.
Misschien wek ik die indruk, maar het feit dat iemand een keer een grapje maakt zorgt niet dat ik die persoon direct beoordeel als slecht of dat ik diegene minder aardig vind. Maar wat wel het beseffen waard is is dat wat voor de een een grapje is dat die eens in de zoveel tijd maakt voor de ander een barrière kan zijn waar diegene dagelijks mee worstelt in de maatschappij. En dan heb ik het nog niet eens over het kwetsende aspect dat deze opmerkingen met zich meebrengen gehad. Wat voor de een een luchtig grapje is is voor de ander een kwetsende opmerking. Een metafoor die ik hier graag gebruik is “Wanneer iemand een baksteen op je looppad werpt struikel je daar niet zo snel over, wanneer horden mensen het doen wordt je weg wel erg lastig, Iedereen gooit wel eens (perongeluk) hier en daar zo’n baksteen en het maakt je echt niet meteen een slecht mens maar dat wil niet zeggen dat het niets uitmaakt”.
Ik heb het gevoel er wat van te moeten zeggen, omdat ik niet wil dat deze vooroordelen gevoed worden. En toch laat ik het soms ook gewoon gaan, soms heeft het geen zin om ‘de strijd’ aan te gaan. Je wil dat mensen het snappen en het daarom laten en niet omdat ze je irritant vinden.
